Bij Frankeland hadden we gisteren een eigen stemlokaal. Zo kregen óók ouderen de kans om zich te laten horen.
Landelijk wordt er besloten hoeveel recht mensen hebben op zorg, wij als verzorgenden bepalen of iemand elke dag kan douchen (gelukkig kan dat bij ons nog).
Maar de stad waar onze ouderen wonen, bepaalt of mensen elke vijf meter struikelen over uitstekende stoeptegels of hoe toegankelijk het openbaar vervoer en huisvesting zijn. Daarom is het belangrijk dat ook onze bewoners stemmen. Gelukkig hadden ze die mogelijkheid.
Hoe de opkomst was? Prima. Al heeft niet iedereen het vertrouwen dat het stemmen iets uithaalt, niemand ziet zijn stem graag verloren gaan.

‘De Inspectie voor de Gezondheidszorg stelt een onderzoek in naar de dood van een bewoner van een verpleeghuis in Zwijndrecht. De bewoner, die op een gesloten afdeling werd verzorgd, kon langs een beveiligde deur komen en viel met de rolstoel van de trap in het trapportaal.’
Met dat nieuws werd ik afgelopen week wakker.. goed wakker. Ik las het op de site ‘Spitsnieuws’. Ik voelde verdriet, ongeloof, verontwaardiging en angst. Angst omdat het mij zou kunnen overkomen. Ik werk op een gesloten afdeling. Met codeslot op de beveiligde deuren, die toegang bieden tot een trapportaal. En ik kan niet overal tegelijk zijn.
Ik probeerde me een beeld te vormen van de situatie.
Scenario 1: Bezoek gaat weg en kijkt niet of er een bewoner meekomt.
Scenario 2: Bewoner kijkt de code van het slot af en wacht zijn kans af.
Scenario 3: Deuren werkten niet naar behoren en de bewoner kan daarom naar het trapportaal.
Scenario 4: De bewoner veinsde dat hij niet op de afdeling hoorde en wist zichzelf bij een bezoeker door de deur te kletsen.
In alle gevallen blijft: er was geen personeel om toezicht te houden. Hoe schokkend dat ook is, dat is wel de realiteit. Verzorgenden kunnen maar op één plek zijn. Dat is juist de frustratie die velen hebben. Wel willen, maar niet kunnen.
De reacties die lezers plaatsten op Spitsnieuws, raakten me diep. Er werd direct naar personeel gewezen. Het beeld dat Nederland blijkt te hebben over de zorg, is schokkend.
Ik kan me zo goed voorstellen wat het personeel van die afdeling doormaakt. Wat de familie voelt. De directie van het verpleeghuis. Er moeten koppen rollen, zo lijkt het. Maar het is geen kwestie van schuld. Een dode op de afdeling lijkt me straf genoeg.
Als het mij zou overkomen, zou ik niet weten hoe ik verder moest. Ik zou de familie met moeite onder ogen durven komen en ik zou dit meedragen, de rest van mijn leven.
Er is een fout gemaakt, duidelijk. Maar ik twijfel er niet aan dat het personeel van het verpleeghuis in Zwijndrecht het net zo betreurt en deze zaak tot op de bodem wil uitzoeken.
Kent u het spreekwoord ‘Als het kalf verdronken is…?’ En ‘Voorkomen is beter dan genezen?’ Als wij verzorgenden echt de keus hadden, kozen wij voor optie twee!
Grappig: ik hoopte mensen te ontroeren met mijn blog en nu lijken de rollen omgedraaid. De reacties die ik krijg, ontroeren míj.
Zo las ik laatst een blog van Merel Roze. Zij gaf ons een presentatie over schrijven op het web. De reacties die zij kreeg op haar stukje ‘Mijn tijd voor de zorg’, doen me goed.
In het begin van de campagne wist ik niet wat ik moest verwachten. Ik kon me niet voorstellen dat we zo’n breed publiek zouden bereiken. Maar de reacties zijn hartverwarmend. Sommige komen van mensen die zelf in de zorg werken. Maar er zijn er ook van mensen die met zorg te maken hebben, vanwege bijvoorbeeld een ziekenhuisopname van hun moeder.
Eén bericht kwam van Bas, op mijn stukje ‘dromen over later’. Hij vindt de site niet alleen leuk vanwege de verhalen, maar ook het design vindt hij mooi. Een mooi compliment voor de mensen ‘achter de schermen’.
Iemand vertelde dat ze in de zorg heeft gewerkt en dat nu niet meer kan. “Maar ik mis het nog elke dag”, gaf die persoon aan. Dat kan ik me voorstellen. Ik hoop dat het lezen van het blog toch het gevoel geeft er nog een beetje bij te zijn.
Het stuk over de Zorg Zwaarte Pakketten maakte heftige emoties los. Waar de een het een uitdaging vindt om toch zorg te leveren binnen de gegeven tijd, vindt de ander het ‘diep triest’. Weer een ander vindt dat er ‘niet zo met mensen mag worden omgegaan’.
Ik vind het heel fijn, al die reacties. Dat geeft aan dat de site wordt bekeken. Op deze manier worden meningen van mensen uit alle windstreken duidelijk. Zo kunnen we de zaken van meerdere kanten bekijken.
En dan is daar Nathalie. Zij liet weten dat ze heeft gesolliciteerd om leerling verzorgende te worden, mede dankzij de site. Dat vind ik zo ontzettend leuk. Het geeft hoop om te zien dat er nog steeds mensen interesse hebben in het vak, ondanks de negatieve berichtgeving waar de zorg steeds meer onder gebukt lijkt te gaan. Er zit toekomst in de zorg.
Soms vraag ik me wel eens af hoe het voor mij zal zijn in een verpleeghuis of verzorgingshuis, mocht ik er ooit terecht komen. Luister ik dan naar Bach? Of is Frans Bauer nog steeds mateloos populair? Sla ik met m’n wandelstok op de muur naar de buurvrouw omdat haar dancemuziek niet past bij mijn scheurende gitaren?
En kijk ik op zondag naar de kerkdienst op televisie, of lig ik dan nog op bed? Zou de pizzabezorger op afdelingen bezorgen? Heeft mijn generatie later nog de mogelijkheid om kleding online te bestellen? En leveren zij dan ook tot aan de deur, of haal ik een pakket af bij de receptie?
Stel: ik ga dementeren, dan heb ik graag dat de verpleging of mijn familie bepaalde sites blokkeert. Anders staat de Ikea ineens voor de deur. Tegen die tijd bezorgen zij ook, let op mijn woorden. Of Wehkamp, Otto, Hema. Binnen een week heb ik mijn geld er dan doorheen gejaagd.
In plaats van wijn of een advocaatje krijgt mijn generatie vast een mixdrankje voorgeschoteld. Geen bitterballen, maar kipnuggets. En op het menu staan onder anderen pizza, roti, wraps en maaltijdsalade met energiedrank. Schorseneren: daar heeft dan nog nooit iemand van gehoord. De meesten denken dat het een werkwoord is.
De gemeenschappelijke ruimte hoeft niet zo groot te zijn. We vermaken ons met een dvd-speler, Playstation of laptop prima in ons eigen appartement. Zolang we maar wel genoeg bewegingsruimte hebben, want we hebben natuurlijk een Wii.
Er is een bioscoop, waar dan geen films vertoond worden met Audrey Hepburn, maar klassiekers als Avatar. “Weet je nog? Dat was toen modern.”
En we bellen nog steeds mobiel. Ik zie het voor me; een doorsnee donderdagavond. Ruzie in de gemeenschappelijke ruimte. Want meneer Niks zit zo luid te bellen met zijn mobiele telefoon, dat mevrouw Plomp haar eigen telefoongesprek niet meer kan verstaan…
Hoe het er werkelijk aan toe gaat tegen die tijd, weet ik niet. Ik weet wel dat er dan al een generatie klaarstaat om naast de wondverzorging óók te zorgen dat onze piercings niet gaan ontsteken. Dat geeft hoop.
Als verzorgende leer ik onze bewoners kennen op een manier waarop familie hen vaak niet kent. Waar iemand zijn mond houdt tegen zijn dochter, kan het zijn dat hij hele verhalen heeft wanneer ik bij hem op de kamer ben. Of het komt doordat ik onze bewoners vaker zie dan de familie en daardoor vertrouwd ben, weet ik niet zeker. Maar het lijkt mij een logische verklaring.
Ik begrijp dat mensen die hun familielid bezoeken het beste willen voor mama, papa, oma, opa of tante. Zij waken ervoor dat wij als verzorgenden goed zijn voor hun familielid. Dat gaat vaak goed. Want er is overleg, ruimte voor vragen en evaluatiemomenten.
Toch ontstaat er ook wel eens een verschil van mening. Dat vind ik lastig. Omdat ik respect heb voor de familie van bewoners, hen daadwerkelijk kan begrijpen, maar ook voor mijn bewoners op wil komen. De balans vinden tussen toegeven aan en tevreden stellen van familie én het bewaken van de wensen en mening van de bewoner, is soms lastig.
Een goed voorbeeld. Dochter wil graag dat haar vader een rustmoment inplant in de middag. Even op bed om een uurtje te rusten na de lunch. Vaak wil hij dat zelf ook, maar soms geeft hij aan dat hij niet alleen wil zijn. Of hij laat blijken dat hij liever even rust in de algemene huiskamer. Dan zetten wij meneer apart, de rolstoel ietwat gekanteld, zodat hij een andere houding heeft en eventueel kan slapen.
Dochter van meneer kwam laatst vragen waarom vader niet op bed lag. Ik gaf aan dat hij die dag laat uit bed was en liever in de huiskamer bleef. Ze antwoordde: “hij kan niet aangeven wat hij wil, dat weten jullie zelf ook.” Ik vertelde dat hij juist goed kan aangeven wat hij wil en vandaag echt niet op zijn kamer wilde zijn. “Deze mensen weten niet wat ze willen”, was het antwoord. Ik had daar veel moeite mee.
Dementerenden zijn inderdaad mensen en kunnen heel goed aangeven wat ze wel en niet willen. Ja, soms is het van levensbelang om iets tegen de zin in te doen. Bijvoorbeeld het geven van medicatie, verborgen in vla.
In dit geval koos ik voor de bewoner. Met het risico dat het tot onvrede leidt bij de familie. Het kan zelfs zo zijn dat zij een klacht indienen. Ik denk niet dat het zover komt, maar het zou kunnen. Frankeland heeft een klachtencommissie en neemt klachten (terecht) zeer serieus. Ik zou het zelfs begrijpen wanneer de klacht er komt. Als dochter is het lastig om je vader te zien als schim van de man die hij ooit was. Dan wil je voor hem vechten.
Wat me wel stoort, is het feit dat de dochter in het belang van haar vader handelde, maar ik dus ook. We denken beiden te weten wat het beste is voor meneer. Ik ben nog steeds van mening dat je in dit geval moet kijken naar wat hij wil. Wie kan dat tenslotte beter aangeven dan meneer zelf?
Je niet uit het veld laten slaan. Klinkt zo sterk. Maar hoe doe je dat?
Momenteel is het wat onrustig op de afdeling waar ik werk. Er zijn namelijk aardig wat veranderingen doorgevoerd en collega’s en ik moeten daaraan wennen en leren elkaar opnieuw te vertrouwen. De veranderingen hebben overigens niets te maken met beleid of beslissingen vanuit de overheid. Het heeft alles te maken met het team. En we zijn een team, elke dag een beetje meer. Maar het is wel twee stapjes vooruit en één achteruit.
Deze week werk ik in de nacht. Een dame waarvan de deken in een hoekje van het bed terecht is gekomen, wordt wakker op het moment dat ik haar toedek.
“Ach, ben jij het?” Een stralende glimlach verschijnt op haar gezicht.
“Niet schrikken hoor, ik dek u toe.”
“Ik moest wel even kijken hoor, of je geen vreemde snuiter bent.”
“Nou, ik ben wel een vreemde snuiter, maar geen onbekende vreemde snuiter.”
“Ik vind je een lieve snuiter.”
We hebben nog even een gesprek en mevrouw gaat weer slapen.
Terwijl ik mijn ronde loop, denk ik nog aan het gesprek.
Het team waar ik deel van uitmaak bestaat uit allemaal lieve, vreemde snuiters, besluit ik. Met hetzelfde doel.
Dan moet het toch goed komen, dunkt me.
Het klinkt mooi, maar in de praktijk werkt het niet. Ken je dat? Het geldt in ieder geval voor de nieuwe ZorgZwaartePakketten (ZZP). Een volledig pakket van zorg dat aansluit op de kenmerken van een cliënt en het soort zorg dat hij of zij nodig heeft. Het bestaat uit een beschrijving van de cliënt (cliëntenprofiel), het aantal benodigde uren zorg en een beschrijving van die (verblijfs-)zorg.
Op de afdeling waar ik werk, vallen de meeste mensen onder pakket 5. Zij krijgen begeleiding bij alles. Van opstaan tot naar bed gaan en alles wat er tussen zit. Tanden poetsen, medicatie, fysiotherapie, activiteiten, kapper, maaltijden, toiletgang, enzovoort. Pakket 5 wil zeggen: 16,5 tot 20 uur begeleiding per week. Maar in de praktijk heb je veel meer tijd nodig.
Want… medicatie wordt geweigerd, mensen gaan dwalen terwijl we eten, ze zijn op zoek naar hun (veelal overleden) echtgenoot of naar de kinderen. Soms naar hun ouders. Mensen kleden zich uit op ongepaste tijden en plekken. Krijgen ruzie met elkaar of roepen en krijgen een hele huiskamer daarmee onrustig.
Dan hebben we tijd nodig om weer rust te brengen. Maar die tijd, die is er dus niet. Want er is geen rekening gehouden met de veranderlijkheid van de mens. Wat heel vreemd is, aangezien er niets zo veranderlijk is als een mens. Helemaal wanneer die mens dementerend is.
Meneer R. woont bij ons op de afdeling. Hij is zich bewust van zijn vergeetachtigheid en versprekingen, wat leuke gesprekjes oplevert. Meneer R. staat op het punt te gaan slapen en ik dek hem toe wanneer zijn oog valt op mijn tatoeages, op mijn onderarmen.

“Wat heb jij daar? Mooi is dat.”
“Ja, vindt u? Dat zijn tatoeages.”
“Waar staan die sterren voor?”
“Voor mijn familie, die grote is mijn moeder. Die kleinere, dat ben ik.”
“Oh ja, ja, ja… mooi. En die?”
“Dat is een heilig hart, komt uit het katholicisme.”
“Prachtig zeg.”
“Het betekent barmhartigheid.”
“Ik vind het heel mooi, vooral de symboliek.”
“Dank u, gaat u nu fijn slapen?”
“Ja, dank je, je bent mooi. Ach, nee, dat bedoel ik niet, je bent lief. Dat bedoel ik.”
“Dank u.”
“Ja, maar je bent ook mooi hoor.”
“Dank u, slaap lekker.”
“Fijn meid… jij ook.”