De eerste werkdag na de vakantie is altijd even spannend. Ik heb kunnen resetten en nu ga ik kijken of alles weer werkt. Weer meegaan met de ‘flow’.
Ik werd even bijgepraat door een collega, maar moest ook snel de wijk in. Er is ziekte in het team, dus iedereen moet even een stapje harder lopen en fietsen. Direct maar volle bak; een betere manier om te zien of alles weer werkt is er niet.
Cliënt 1: Mevrouw wordt vandaag opgenomen in het ziekenhuis voor een geplande operatie. Spannend voor haar. De tas staat klaar en ik wens haar sterkte.
Cliënt 2: Mevrouw vertelt mij tien dagen geleden beroofd te zijn in haar eigen huis. Je kent dat wel: mensen die zich voordoen als iemand van de PTT (!). Mevrouw is nog steeds van slag. Gelukkig hebben wij een sleutel van haar appartement, dus bij ons hoeft ze niet bang te zijn.
Cliënt 3: Mevrouw doet de deur open en begint direct te schreeuwen. Ze is woedend over de afgelopen paar weken. Mevrouw heeft veel invallers gehad en is het helemaal zat. Ik ben een bekend gezicht, nu kan ze eindelijk haar woede uiten.
Cliënt 4: Meneer doet de deur open met tranen in zijn ogen. Zijn vrouw is drie dagen geleden overleden. Mevrouw was ziek, maar het kwam toch nog heel onverwacht. Hij vertelt zijn verhaal en haalt herinneringen op. Pas negentig minuten later sta ik weer buiten.
Cliënt 5: Meneer en zijn vrouw staan voor de deur. Ze zijn blij: ‘Oh… het is Froukje!’ Ze trekken me zowat over de drempel heen.
Spanning, verontwaardiging, woede, verdriet en opluchting: allemaal emoties op mijn eerste werkdag na de vakantie. I am back in town!
‘Meneer heeft een gat in zijn hart, daar moet dagelijks vetramil in gespoten worden’.
Zo krijg ik een zorgaanvraag binnen. Ik kijk nog eens goed.
‘Een gat in zijn hart’… En daar moet een medicijn in gespoten worden? Ik weet niet direct wat vetramil is. Maar dat doet er eerst niet toe. Ik denk: ik ga ECHT NIET iemand een medicijn in zijn hart spuiten! Nog nooit gedaan en volgens mij ook onmogelijk! Er bestaat geen protocol voor.
Meneer is al thuis, zegt de zorgaanvraag. De zorg moet morgen opgestart worden. Zou het een vergissing zijn?
Ik ga op onderzoek uit. Bij de bron. Ik bel meneer op. Ik zeg hem dat ik een aanvraag heb liggen van hem en dat hij vraagt om dagelijkse hulp.
‘Kunt u mij uitleggen waar u hulp bij nodig heeft?’
‘Ik kan er zelf niet bij.’
‘Waar kunt u niet bij?’
‘Bij mijn hak.’
…
Ik begin te lachen en vertel hem het verhaal. Hij lacht met me mee.
‘Erg vervelend voor u dat u een wond heeft, maar daar kunnen we u prima bij helpen.
Ik ben zo blij dat u geen gat in uw hart heeft!’
‘Nou zeg, ik ook!’
Vervolgens bel ik diegene op kantoor die de zorgaanvraag aangenomen heeft en vertel haar welke schrik ze mij heeft bezorgd. Ook daar wordt hartelijk gelachen. Het is heerlijk om deze dag lachend af te sluiten.
cCpdxF , [url=http://jdelxymmnfpz.com/]jdelxymmnfpz[/url], [link=http://srwlqzzffdjk.com/]srwlqzzffdjk[/link], http://czpvqouhnvss.com/
van dmionqebhdb uit op 25-03-2012
Deze raakte mij laatst op zorgmanagement.nieuwslog.nl. U ook?
Het is al na vijf uur en eigenlijk zou ik al thuis moeten zijn. Maar ook in de vakantieperiode gaan aanmeldingen gewoon door. Mensen vallen, worden ziek of door de huisarts aan ons overgedragen, ziekenhuizen ontslaan mensen naar huis, mensen sterven.
Met minder mankracht de zorg zo goed mogelijk blijven geven: dat is onze uitdaging in de zomer. En dat betekent elke dag weer kritisch kijken naar de planning. Welk niveau is er nodig voor deze cliënt? Wie heeft ruimte op zijn of haar route? Voldoen we aan de wensen van de cliënt?
Zorgvragers bereid ik alvast voor door te zeggen dat we met z’n allen moeten proberen deze vakantie door te komen. Dat het ons niet altijd lukt hen op de gewenste tijdstippen te helpen. Dat er invallers zijn, die (dat moet gezegd worden) hun werk met enthousiasme en betrokkenheid doen.
Mjjn hoofd en mijn bureau zijn vol aan het eind van de middag. Mijn gedachten dwalen even af… Ik ‘moet’ zelf ook nog op vakantie. Collega’s zeggen wat ik ook denk: ‘ik moet op vakantie, maar als ik kijk naar het werk wat er ligt, kan ik helemaal niet weg.’
Nu is niemand onmisbaar, ik ook niet. Maar mij bekruipt datzelfde gevoel. Cliënten die veel van je zorg nodig hebben en die je intensief begeleid, moeten het een paar weken zonder je doen. Misschien sterven ze juist in de periode dat je weg bent. Dan heb je ze begeleid in de laatste fase van hun leven en doen ze het laatste stukje zonder je. Natuurlijk, het gaat niet om mij, maar je begrijpt vast wat ik bedoel.
Om het straks even helemaal van me af te zetten… daar kijk ik naar uit. Soms denk ik: hoe gevaarlijk is het ook, zo betrokken als je kunt raken. Ik ben geen familie, maar zorgverlener. Maar in de zorg raakt het je vaak zo… het gaat tenslotte om leven, waar ikzelf ook deel van uit maak. Verdriet, blijdschap, boosheid, verrukking, onmacht. Allemaal emoties die herkenning geven, omdat ik ze ook heb. Omdat ik mens ben.
Als mens ga ik straks op vakantie en zal ik heus zo nu en dan in mijn gedachten een voordeur open zien gaan en mezelf naar binnen zien stappen. Even kijken hoe het gaat. En dan, als ik weer terug ben, zal ik merken dat de wereld niet heeft stilgestaan en mijn collega’s niet stilgezeten. Dan is alles gewoon doorgegaan.
3wqaom , [url=http://ocfqzwocfkgp.com/]ocfqzwocfkgp[/url], [link=http://nsderqnwsvea.com/]nsderqnwsvea[/link], http://icaemgmrfkxe.com/
van pcisbeijqld uit op 15-03-2012
Meneer is ernstig ziek en moet twee keer in de week vanuit Groningen naar Amsterdam voor een behandeling in het AMC. Hij is aan het vechten om te (over)leven. En dan… wordt de taxi niet vergoed. Twee keer in de week tweehonderd kilometer heen en tweehonderd kilometer terug. En wat doet meneer? Hij gaat met de trein. Stelt u zich eens voor: drie uur heen en drie uur terug. Een intensieve behandeling tussendoor. Lopen van en naar de trein, van en naar de bus. En dan de vermoeidheid die door deze ziekte aan je lichaam vreet.
Meneer is aan het strijden om te leven… voor zijn vrouw… voor hemzelf. Hij is de strijd aan het verliezen, langzaamaan. Nee, dat ligt niet aan zijn wilskracht, die is groot. Zo groot.. dat we nog niet durven te praten over ‘andere tijden’. Deze kracht overheerst nog de realiteit. Wachten moeten we… tot meneer eraan toe is om te praten over een ander soort moed. Een andere strijd. Om los te laten.
Meneer vertelde me vandaag dat hij weer met de taxi gaat. De vergoeding was toch rond gekomen. Hoe…? Misschien de mazen in de regelgeving.. een begripvol persoon aan de telefoon? Ik weet het niet. Maar dit was de eerste keer dat ik met een glimlach bij hem wegging. Ik zag hem in mijn gedachten rustig in de taxi stappen, zijn vermagerd hoofd tegen de hoofdsteun leggen en zijn ogen dichtdoen.
Triest en orechtvaardig, was mijn eerste gedachte. Of hij al niet genoeg aan zijn hoofd had. Gelukkig voor hem dat het toch nog goed kwam met de vergoeding. By the way: wat heb je een prachtige schrijfstijl Frouwkje. PETJE AF!
van Fineke Schepel uit op 04-08-2010