Tjonge, wat zien de ramen er uit. Je kunt niet meer naar buiten kijken. Na de schilder en een flinke storm zijn ze meer bruin dan doorzichtig. En op ons terras is het al niet veel beter.
De dames van de huishoudelijke dienst hebben het erg druk en onze mensen willen toch wel graag naar buiten kijken. Dan maar zelf aan de slag. Ik zet de terrasdeur open en ga op zoek naar een harde bezem. Druk met het verplaatsen van stoelen en tafels komt al gauw Mevrouw van de Zorg achter me aan: “Hedde nog ene bezum voor mij?”
Ik: “Nou, ik wil de mijne wel afgeven hoor!”
Maar we lopen samen naar het werkhok en vinden daar nog een bezem. We gaan samen aan de gang. Gezellig kletsen en vegen. Wat ligt er toch een troep. Mevrouw van de Zorg staat achter me. Ze leunt op haar bezemsteel en de andere hand heeft ze in haar zij. Ze roept me en vraagt of we ook ‘schaft’ hebben. Natuurlijk hebben we schaft. Ik haal een lekker koud drankje en we zetten ons neer op een bankje in de tuin.
Al gauw raken we in gesprek. Haar broer heeft een boerderij en daar is ze vol lof over. Ik vertel haar dat Piet heeft gezegd dat we goed voor u moeten zorgen, want ‘ons Roos heeft ook altijd goed voor ons gezorgd!’ Mevrouw schiet even vol en ik vind het fijn dat haar broer zo om haar geeft.
“Ja”, zegt ze “onze Piet heeft het met mij wel eens gehad over dood gaan. Wat ik zou willen als ik het allemaal niet meer weet, of als ik bijvoorbeeld erg ziek ben. Ik weet niet meer wat ik gezegd heb, maar onze Piet heeft alles opgeschreven.”
“Nou, dat is mooi, dan hoeft u zich daar geen zorgen meer over te maken.”
“Dat is waar, en nu weer aan de gang want de ramen moeten ook nog!” zegt Mevrouw van de Zorg.
Terwijl ik de ramen was, zit mevrouw in de zon op een schoon terras. Haar ogen zijn dicht. Heerlijk van die kleine gesprekjes. Zo ongedwongen, recht uit het hart.
“Gelukkig je bent er”, Mevrouw van de Zorg is blij als ze me ziet. Ze heeft plaatsgenomen op een stoel voor haar appartement en zat duidelijk op me te wachten. “Ja, ja, ik moet opschieten, ik moet met de bus mee.” Ik vraag of ik nog even mijn tas en jas mag weghangen. Ondertussen kijk ik snel in de agenda of er iets staat. Wordt ze wellicht opgehaald door familie of zo? Niets. “We gaan naar de koningin, Juliana, ja ja”, vertelt mevrouw intussen monter verder. Dan begint er een lampje te branden. Vandaag is de huldiging en Mevrouw van de Zorg roept al de hele week dat ze naar het voetballen moet. Ze kan namelijk erg goed en snel lopen en ze heeft vroeger gevoetbald! We zijn samen tot de conclusie gekomen dat ze wel middenvelder kon worden. Want die lopen immers veel.
“Wat moet ik aan als ik naar de koningin ga?”, vraagt ze. Uw beste kleren natuurlijk. We zoeken samen naar een passende outfit in haar kast. Na even zeg ik: “Ik weet niet wat u er van vindt, maar wat u nu aan heeft is eigenlijk het mooiste wat u heeft.” Voor de spiegel draaiend is ze het eigenlijk wel met me eens. Kom op, zeg ik, dan gaan we een boterham eten, want anders vallen we nog flauw als we bij de koningin staan. Mevrouw van de Zorg is de bus al snel vergeten. We hebben een leuke ochtend, we kijken tv en zijn trots op onze voetballers.
Dan komt Mevrouw Boot binnen, nog een sportliefhebber. Ze mist net het voetballen, maar schuift graag aan voor de Tour. Ineens springt ze overeind en roept: “Dat is hem, dat is hem, dat is lang geleden”. Ik kijk op en zie het peloton voorbij komen. Mevrouw Boot prikt met haar vinger naar de tv en wijst een wielrenner aan. “Ja, die ken ik. Dat is mijn fietsmaat, met hem heb ik heel Frankrijk doorgefietst.” Vol verwondering kijken we op. Heeft u die berg helemaal opgefietst? Ze knikt ja en haar hele gezicht lacht even een heel gelukkig moment. “Och och, wat leuk om hem weer te zien. Ja, ik ken hem heel goed. En de fiets heb ik nog hoor! Die staat bij mijn dochter. Alleen fiets ik niet meer zo goed.”
Samen praten we over de tijd dat we allemaal goed in sporten waren. Het was een gezellige ochtend vol beroemdheden.
Het is erg warm deze week. Dat vindt zijn weerslag op onze mensen. Mevrouw Gruts zit scheefgezakt in haar stoel. Mevrouw Knuffel heeft moeite met lopen. Als ze eenmaal op haar stoel aan de ontbijttafel zit, sluit ze haar ogen en blijft zo zitten. Meestal gaat ze op zoek naar iets te doen met haar handen, maar deze keer niet. Ik vraag of ze een boterham wil. Geen reactie. Dus smeer ik een ‘boterham met bonbons’ zoals zij dat noemt, hagelslag vindt ze heerlijk. Met een beker koude melk erbij ga ik naast haar zitten. Zachtjes ga ik met een knuffeldoekje over haar arm en kijk naar haar gezicht. Even knipperen haar ogen. Ik sla een arm om haar heen en fluister haar naam. “Wat zou uw man tegen u zeggen als hij u uit eten wil nemen? Zoiets als: Lieve Catootje ga je mee uit eten bij Hotel Jillissen (bestaat al lang niet meer, maar wel in haar jeugd)?”
“Gatverpielekes, daar ga ik niet naar toe”, zegt mevrouw Knuffel met een glimlach. Maar haar ogen blijven dicht. Ik vraag of ze haar luikjes open wil doen, maar ze zegt: “Nee., is veel te heet, het is veel mooier aan deze kant.” Ik streel nog even haar hand en arm. Ze heeft een grote glimlach op haar gezicht. Ik vraag of ze wil eten en vooral drinken want dat is erg belangrijk deze dagen. Samen eten we de boterham op. Met gesloten ogen.
We hebben een mooie tuin bij ons huis en een fijn terras. Ik heb de deuren opengezet, iets wat niet zomaar kan, er zijn altijd mensen die het koud hebben. Tijdens mijn koffiepauze ga ik buiten zitten met een kopje koffie, en zoetjesaan wordt ik gevolgd door wat bewoners. Gezellig. Al gauw zit bijna iedereen buiten. Zelfs mevrouw Best – snel geprikkeld door geluiden – ligt in de rolstoel te genieten. Er wordt flink gepraat onderling over het voetballen vanavond. Gaat Nederland naar de finale? Ik vraag aan mevrouw Boot of ze vanavond een lekker glaasje bier lust. “Nou”, zegt mevrouw Meiske, “ik lust wel een donker biertje.” Mevrouw Boot stemt in. Mevrouw Trots gaat voor een glaasje rode wijn. Ik spreek af dat ik het in de koelkast zet en in de agenda schrijf ik: ‘vanavond voetbal met een biertje’.
Ik heb al een paar keer gezegd dat ik toch echt ‘nodig eens naar buiten’ moet. Even weg van hier. Elke keer kijkt Mevrouw van de Zorg op en wil ze wat zeggen. Op een gegeven moment staat ze op en zegt: “Moet jij niet nog een boodschap doen?”
“Ja, maar als u mee wilt, moet u een lange broek aan trekken.”
“Nou, dat heb ik zo gedaan.” En weg is ze. Ik loop voor de zekerheid maar even mee.
“Waar lopen we naar toe”, vraagt ze.
“Lopen? We gaan fietsen” Ik leid haar intussen mee naar de mooie rode duofiets.
“Gaan we daarop?” vraagt mevrouw. “Naast elkaar?”
“Ja”, zeg ik, “dan zal ik trappen, en kunt u zingen. Maar wel uw hand uitsteken als we rechtsaf gaan hoor.” Mevrouw van de Zorg heeft het er maar druk mee op de fiets. Roept goedendag tegen iedereen die voorbijkomt. En de mensen hebben alle aandacht, want twee kwebbelende dames naast elkaar op de fiets is natuurlijk geen dagelijkse kost.
We fietsen door de straat waar ze woonde en werkte. Zelf zegt ze dat ze nooit gewerkt heeft, maar gehobbyd. Ik noem de straatnaam tegenover haar oude huis, maar erg gebeurt niets, mevrouw herkent het niet. Jammer, ben toch te laat gegaan. We fietsen verder langs koeien in de wei. Steken een paar keer de rivier de Aa over. Heerlijk.
“We zijn alleen de broodjes vergeten”, zegt mevrouw.
Als we terug zijn, zitten we tevreden en wel op het terras. Als iemand vraagt waar ze geweest is, antwoordt Mevrouw van de Zorg: “Geweest? Ben ik weg geweest? Nee hoor, heb de hele tijd hier gezeten, maar als je gaat, ga ik wel mee hoor.” Ik weet dat ze genoten heeft van het tochtje, jammer dat ze het zelf niet meer weet. Maar het moment was goed en de volgende keer neem ik broodjes mee.
Wat leuk om dit te lezen. Ik heb vorige week ook 4 rondjes gereden op de duofiets met bewoners......je hoort dan de meest intieme verhalen van hen!
van Gerda uit op 05-07-2010
Mevrouw van Zutphen is vandaag niet in haar hum. Alles loopt verkeerd. Nu zijn haar kleren niet goed: “Die horen in het andere huis, die zijn al oud.” En de boterham met gebakken ei is ook niet lekker: “Koud!” Ik loop naar mijn collega bij het aanrecht. We merken dat Mevrouw van Zutphen aan het veranderen is. En dat komt haar humeur niet ten goede. Gelukkig wordt ze erg in de watten gelegd door haar dochters. Heel leuk om te zien. Ze doen haar elke zaterdagmiddag in bad in onze sfeerbadkamer. Hier zit een luxe bad in, we hebben lekkere geurtjes, massageolie, een rustgevend muziekje en in het plafond blinken, als sterren aan de hemel, kleine lichtjes. Met de wandschildering op de achtergrond lijkt het net of je op een zwoele zomeravond aan zee zit.
Even later komt Dochter van Zutphen binnen. Ze vraagt aan me hoe met met haar moeder gaat. Als we verder praten vertelt ze dat ze het moeilijk heeft met de toestand van haar moeder. Want moeder krijgt steeds meer probleempjes en is heel emotioneel waar het bepaalde kleding betreft. Dochter van Zutphen is in tweestrijd. Moet ze de kleren die pijnlijke herinneringen weghalen, of juist niet? Dat pakje wat ze droeg op vaders begrafenis? Zomaar weghalen, zonder overleg?
Ik snap de tweestrijd wel. Ik leg haar uit dat dementerenden zintuiglijke ervaringen vaak het langste onthouden en dat de gevoelens die daarbij horen diepgeworteld zijn in het geheugen. Je kunt je afvragen wat de kleding meer oproept, verdrietige gevoelens of positieve herinneringen. We praten nog even verder tot Moeder van Zutphen haar dochter in de gaten krijgt.
Als later dochterlief weer naar huis gaat, komt ze nog even bij me langs. Ze geeft me een hand en bedankt me hartelijk voor de uitleg. Ze heeft haar besluit genomen. Ha, dat voelt goed. Dit zijn momenten waarop ik blij ben dat ik even de tijd kan nemen. Je draagt zorg voor je cliënten, maar daar hoort de zorg van familie ook een beetje bij, want samen moeten we verder.