Afgelopen week is Mijnheer Van Boven overleden. Je merkt het meteen als je in de huiskamer komt. Iedereen is verdrietig. Er zijn bewoners die zeggen: “Ik mis iemand maar ik weet niet wie.” Het typeert hem wel, hij viel niet echt op. Tijdens mijn opleiding heb ik hem leren kennen. Het was een bijzondere man, hij werkte over de hele wereld en sprak vijf talen vloeiend.
Mevrouw Van Boven komt op onze afdeling (zij woont elders in ons huis) en samen met Mevrouw Van de Zorg gaan we naar de kamer waar hij opgebaard ligt. De laatste dagen had Mijnheer Van Boven een bezorgde blik. Nu lijkt hij veel jonger en ontspannen. Haast glimlachend. Mevrouw Van de Zorg heeft tranen. Na een tijdje gaan we samen weer naar buiten. Ze pakt mijn hand vast en zegt: “Ik voel me zo verdrietig, maar ik weet niet waarom.” Ik vertel haar wat er gebeurd is.
Een paar dagen later gaan we met een paar collega’s naar de begrafenis. De Kleine Heer wil graag mee, maar is veel te emotioneel en blijft op het laatst toch maar thuis. Mevrouw Van de Zorg gaat wel mee.
De kerk zit vol. Het koor zingt. Omdat ik niet weet of Mevrouw Van de Zorg het volhoudt, zitten we een beetje achterin. Ze zingt mee. In het Latijn en zonder tekst. De mensen die voor ons zitten, kijken om en lachen naar elkaar. En nog eens. Ik neem me voor dat als ze weer omkijken, ik ze vraag of er iets mis is. Maar het gebeurt niet meer. Als we de communie hebben gehaald, gaat mevrouw zachter lopen. Ik raak haar schouder aan en ze glimlacht naar me. Na de mis lopen we naar buiten. Ik voel me ondanks het verdriet gelukzalig. De mis paste bij hem. Buiten zegt Mevrouw Van de Zorg: “Ik weet niet voor wie deze mis was, maar ik heb hem wel een eindje op weg gedragen naar de hemel”, ze pakt mijn arm en zet de pas erin. Op naar de koffie.
Respect Winni ! Als iedereen zoals jou was zag de wereld er een stukje beter uit.
van rowan uit op 05-02-2010
De Kleine Heer is al een paar dagen flink ziek. Het heeft zijn weerslag op de hele groep. We dekken samen de tafel, maar het gaat allemaal niet zo lekker. De bewoners komen langzaam op gang. Als Mevrouw Opstand zegt dat ze niet kan lopen, zie ik ineens dat Mevrouw Knuffel ook moeite heeft met lopen. Ze struikelt bijna over haar eigen voeten. Het lijkt wel of iedereen uit zijn doen is.
Als we na het ontbijt koffie drinken, roept Mevrouw Meiske dat ze er een lange vinger bij wil. Mijnheer Van Boven krijgt er ook één. Hij kijkt ernaar, legt hem tussen neus en zijn bovenlip en roept: “Da’s ’n goeie.” Daarna steekt hij de lange vinger in zijn mondhoek en vraagt om een vuurtje. Het valt niemand op dat hij een heerlijk sigaartje aan het roken is.
Dan is er tijd voor een boodschap. Ik neem mevrouw Boot mee naar het winkeltje. Daar aangekomen nodigen de buren ons uit voor een kopje koffie. Gezellig natuurlijk. We brengen snel de boodschappen naar huis en togen samen met de Mevrouw Van de Zorg en mevrouw Meiske weer naar de buren. We zingen liedjes tijdens de koffie. Terwijl we door het ‘groen-groen-groen-knolle-knolle-land’ huppelen, stuiten we ineens op het woord ‘verdroten’. Omdat niemand weet wat het betekent, zoeken we het op met Google. Resultaat: voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) van ‘verdrieten’.
Om twaalf uur moeten we weer thuis zijn. Op de terugweg zingen we nog steeds, ‘daar was laatst een meisje loos’. Ze horen ons van verre aankomen. De verdrietige sfeer van de vroege ochtend is gelukkig omgeslagen in een vrolijke lunch. De Kleine Heer eet nog niet mee, maar zijn koorts is toch een beetje gezakt. Zou het aan onze zangkunst liggen?
Dank Winni, Je schrijft prachtig! Het is een feest om te lezen. Voor mij als toezichthouder in de zorg heeft dat grote waarde om nog beter mijn best te doen!
van Bernadette Jansen uit op 27-01-2010
Mijnheer Van Boven zit er helemaal in. Hij zit aan tafel met De Kleine Heer. Ze genieten van een cd van het Brabants Orkest. Mijnheer Van Boven dirigeert de muziek. Hij zit in de laatste fase van zijn dementie.
Dat zal ik voor de liefhebbers even toelichten (anderen kunnen het verhaal vervolgen in de volgende alinea). Dementie bestaat uit vier fases. De eerste is de bedreigde fase; in deze fase ervaart iemand dat hij meer dingen vergeet dan gewoonlijk. De tweede fase is de verdwaalde fase, hier vergeet de persoon alle recente gebeurtenissen, maar dingen van vroeger weet hij nog heel goed. Dan volgt de ‘verborgen ik’ fase: de persoon weet sommige dingen van vroeger niet meer, sluit zich af van prikkels en richt zich op een ander. De laatste fase heet ‘verzonken ik’; in deze fase raakt iemand helemaal in zichzelf gekeerd en is zich niet of nauwelijks bewust van de buitenwereld.
Goed, terug naar de heren. Het valt vandaag niet mee om contact te leggen met Mijnheer Van Boven. En de fysiotherapeut wil toch echt graag een eindje met hem lopen. Ze vraagt al een aantal keer of hij wil gaan staan. Dan staat De Kleine Heer plotseling op en gaat weer zitten. Dit herhaalt hij een paar keer. Ik vraag hem of er iets aan de hand is, maar hij kijkt alleen naar zijn tafelgenoot. Steeds opnieuw herhaalt De Kleine Heer opstaan en weer zitten. Het kost hem zichtbaar moeite, maar hij blijft ermee bezig. Totdat Mijnheer Van Boven ineens opstaat. De Kleine Heer tovert een grote glimlach op zijn gezicht. Pas dan begrijp ik wat hij heeft gedaan.
Wat is de mens toch bijzonder. Hier kunnen we zoveel uit leren. De les die ik eruit haal is: meer gebarentaal inzetten. Dat heb ik de afgelopen week meteen maar eens even uitgeprobeerd. Naast mijn gewone gesprek met de bewoners maak ik stevig gebruik van gebaren. En het werkt!
Herkenbaar. Als het in de zorg niets wordt, kan ik altijd nog aan de slag als weervrouw. Maar hoe stom het er soms ook uitziet, het werkt... Succes verder. En bedankt voor je reactie.
van Cindy uit op 25-01-2010
Mevrouw Knuffel zit met haar ogen dicht aan tafel. Ik raak haar hand aan en vraag:
“Lieverd waar denk je aan?”
Waarop mevrouw Knuffel een grote glimlach op haar gezicht tovert en zegt:
“Lief elventulpje… ja, jij.”
“Ik?”
“Ja, jij.”
“Dank je wel”, zeg ik, “dat klinkt lief.”
“Die zijn ook erg lief en jij bent er een van, een elventulpje”, ze doet haar ogen open en geeft me een dikke zoen.
Nou, dan kan je Kerst niet meer stuk zeg ik je. Elventulpje.
Ik heb gewerkt deze Kerst. Ook heerlijk hoor. Geen vergaderingen of besprekingen, gewoon lekker op het gemak koffie drinken met een kerstkrans. Samen zingen. De tafel gezellig gedekt. Kaarsjes, een glaasje wijn. Het eten was voortreffelijk, maar veel te veel. Mevrouw van de Zorg vraagt: “Hoeveel dagen mogen we erover doen om het op te krijgen?”
’s Middags na het rusten zitten we gezellig rond de openhaard. Dat wil zeggen: een vuur op een dvd. Maar wel een goede. Verschillende mensen vragen of het vuur wat lager mag, zo warm hebben ze het gekregen. We drinken koffie bij de haard en dan komen de gesprekjes vanzelf los. Voor onze mensen is Kerst een leuke, maar ook een verdrietige tijd. Ik merk dat ze in deze tijd op zoek gaan naar hun ouders. Ze zijn verdrietig want ze missen hun ouderlijk huis, het gezin van toen. En in hun beleving is nu, toen! En dat brengt veel verdriet met zich mee.
Ik ga mee in hun beleving en laat ze vertellen hoe het toen was. Wil ze het gevoel geven dat zij ertoe doen. Genieten van het gevoel van geborgenheid en wijsheid dat ze proberen over te brengen, want ik weet niets van hun kinderjaren. Gelukkig vertellen ze volop. Vullen elkaar aan. Begrijpen elkaar. Heel mooi om te zien en te ervaren.
Ik heb genoten deze Kerst.
hé Winne, wanneer ik dit verhaal hoor / lees realiseer ik me hoe kleine dingen groots kunnen zijn. Een kerst is nooit zomaar een Kerst. Het is inspirerend te lezen hoe je aansluit bij jouw mensen.
van Stan uit op 22-01-2010