Terwijl de mensen feesten en het gezellig maken met carnaval, is er achter de deuren van sommigen appartementen verdriet. De Kleine Heer gaat afscheid van ons nemen. Ik neem even de tijd om bij hem langs te gaan. Zijn vrouw zit naast zijn bed en ik vraag of ik er even bij mag zitten. De Kleine Heer opent zijn ogen en er verschijnt een kleine glimlach. Hij zoekt mijn hand en knijpt daar in. Zo zitten we samen even. Hij wil zich vasthouden. Zijn lichaam kan niet meer, maar ‘hij wil nog niet’ zegt hij zachtjes.
Op weg naar huis denk ik aan het plezier dat we hadden en het verdriet dat we samen deelden. De Kleine Heer had een zwaar leven. Toen hij net bij ons kwam wonen, zat hij vol boosheid. Hij moest ontzettend veel verwerken. Voor mijn gevoel heb ik hem de gelegenheid gegeven om zijn gevoelens te uiten en zijn verdriet te delen. De laatste tijd was hij niet verdrietig, integendeel. Ik herinner me nog een prachtig moment net voor hij ziek werd.
Na een lunch zit ik aan de computer en komt De Kleine Heer met zijn rollator bij me staan. Hij draait het ding om en gaat er op zitten. Hij kijkt me aan en zet zich af met zijn voeten. Rolt zachtjes naar achteren. Ik schrik een beetje en zeg dat dit gevaarlijk kan zijn, hij zou kunnen vallen! Hij lacht, nee hoor en rolt weer vooruit. Dat gaat hem goed af. Zijn ogen schitteren. Hij vraagt me iets, maar ik kan hem niet goed verstaan dus rol ik op mijn stoel naar hem toe. Hij wil wel een wedstrijdje doen. Ondertussen is Mevrouw van de Zorg erbij komen staan en die heeft schik. Ze ziet ook de schittering in zijn ogen. Al gauw hebben we het over kattenkwaad uithalen. Ik zeg tegen De Kleine Heer: “Daar weet mevrouw van de Zorg alles van. Die kon op haar vierde al slootje springen. Ze nam een aanloop en sprong zo midden in de sloot. Het deed haar niks.” De Kleine Heer ligt helemaal in een deuk. Wat gezellig zo dingen van vroeger ophalen. Gelukkig heeft Mevrouw van de Zorg een wending gegeven aan onze uitdaging. Want ik denk dat ik er anders niet onderuit gekomen was.
Het is vreemd, zo’n afscheid middenin een feest.
En zo is elke Kleine Heer of elke Kleine Vrouw misschien wel een afspiegeling van de Grote Heer of Vrouw. Je zou het een religieuze ervaring kunnen noemen, Winny. Zo mooi, hoe jij met de medemens omgaat. En zo prachtig in woorden uitgedrukt. Een stimulans voor al jouw collega's en dus ook voor mij.
van Adrie van Osch uit op 21-03-2010
Het is carnaval. Het is feest. We zijn niet langer Veghel, maar Vudel. Zo heet het koninkrijk dat uit twee dorpen bestaat, Veghel en Uden, tijdens de carnaval. In huis houden we een verkiezing voor onze eigen huisprins of -prinses. Uiteindelijk valt de keuze op een prins. Deze hijsen we in feesttenue en schitterend aangekleed mag hij de echte Prins Carnaval (van Veghel) met zijn gevolg ontvangen. Ook krijgen enkele mensen een onderscheiding. Eigenlijk verdient iedereen wel een lintje, maar ja, dan is het niet meer speciaal. Het is gezellig. We dansen, met of zonder rollator. Enkele van de meest dappere bewoners mogen naar de carnavalsmiddag buitenshuis. We zingen en zetten onze zorgen opzij. We gaan in polonaise naar bed. Het is heerlijk. Maar het brengt naderhand ook zo veel onrust. Alaaf.
U zult misschien denken: die heeft een mooi vak. Ja, eens, ik heb het mooiste vak van de wereld. Maar ook een erg kwetsbaar vak. In tijden van bezuiniging zijn de cliënten vaak als eerste de pineut. Zeg nou zelf, de basiszorg is er wel, maar als de cliënt daarna in zijn stoel aan zijn lot wordt overgelaten; jammer dan. Moet de buurvrouw maar voor zorgen of de kinderen. Maar al die buurvrouwen en de kinderen hebben ook een baan! Bovendien hebben deze goed bedoelende mensen vaak geen zorgopleiding gehad. Dat wordt nogal eens vergeten.
Een activiteitenbegeleider is opgeleid als Sociaal Pedagogisch Werker, met als extra vak Activiteitenbegeleiding. Dat betekent dat ik niet vier jaar naar school ging om te leren plakken en knippen. Ik heb geleerd om zorgplannen te schrijven, omgangsadviezen voor zorgdisciplines, om te denken in mogelijkheden, om cliënten te prikkelen en stimuleren. Mijn doel is de zelfstandigheid van de cliënten te vergroten of behouden. Dat doe je door structuur aan te bieden, geheugentrainingen te geven, te praten. Plakken, knippen, muziek en spelletjes zijn slechts middelen.
Het begrijpen, volgen en het ondersteunen van iemand die verblijft op een psychogeriatrische afdeling, vraagt van de zorgverleners dat ze op de hoogte zijn van belangrijke gebeurtenissen uit het leven van de dementerende. Zo kun je als het ware deelgenoot worden van zijn/haar persoonlijke geschiedenis.
Dat kun je toepassen bij de verzorging, en is vaak heel eenvoudig. Zo hadden we een vrouw die ’s nachts veel wakker was en dan begon te roepen. Zij zit de hele dag in een rolstoel, ziet ontzettend slecht en is dus afhankelijk van iedereen. Uit haar levensloop blijkt dat ze al vroeg weduwe werd en heel zelfstandig was. Dus ik stel voor aan de verzorgers om bij het naar bed brengen, de pieper af te geven en de tijd te nemen. Bij haar op het bed te gaan zitten en eens te vragen hoe haar dag was en of ze fijne dingen heeft meegemaakt. Zomaar 5 of 10 minuten extra. Ze is die nacht maar één keer wakker geweest.
Ik vind het een noodzaak om op deze manier met zorg om te gaan. En het leuke is dat ik me verder ga scholen. Om collega’s te kunnen leren belevingsgericht te werken.
Dag Winnie,de boosheid die uit je stukje naar voren komt is erg begrijpelijk. Goed dat er iemand opkomt voor de scahduwkanten van ons vak. Zorg is een professioneel beroep maar blijft mensenwerk.
van lucia uit op 14-02-2010
Vlug gaat Mevrouw Boot na het ontbijt naar haar kamer. Haar zoon is jarig en komt haar om 12 uur ophalen. Mijn collega is ook jarig vandaag en ze is gewoon aan het werk (da’s nou echte liefde). Er wordt volop gezongen. Mevrouw Van de Zorg kijkt echter bedenkelijk, dus ik vraag: “Heb je goed geslapen?” “Nee”, zegt ze heel serieus. Ik schrik een beetje en vraag hoe het komt. “Als ik goed geslapen zou hebben, moet ik naar de markt om lappen te verkopen.” Ze schiet in de lach. Eén nul, en dat om half negen.
Als Mevrouw Opstand gegeten heeft ruim ik de tafel af. De korstjes brood die iedereen laat liggen, doe ik op een bord en loop naar buiten. De hele week wil ik al sneeuw mee naar binnen nemen. Gewoon uit baldadigheid. Ik gok het er op. Doe een hoopje sneeuw op het lege bord en ga naar binnen. Ik zet het bord voor de neus van Mevrouw Van de Zorg, die is altijd in voor geintjes. Ze kijkt me aan met pretoogjes.
- Wat is dat?
Wat denk je, sneeuw!
- Mag ik?
Wat bent u toch netjes. Doen!
Ze pakt een beetje sneeuw en gooit een sneeuwbal naar me.
Mag ik het nu terug doen?
Ik pak een beetje sneeuw en stop het achter in haar nek. Ze lacht. Heerlijk. De vloer is inmiddels nat en ik ga de sneeuw snel opdoen, voordat er ongelukken gebeuren. “Hebben we meteen gymnastiek gehad!”, roep ik ondertussen. “En gewassen ook mee passant”, zegt mevrouw Boot die op een afstandje staat te kijken. Ik vraag of ze ook wat sneeuw wil. Dat wil ze niet, want haar zoon komt zo. Het loopt al tegen 12 uur. Ik vraag haar of ze zich misschien in de dag vergist heeft. Ze kijkt me aan zegt: “Het is toch zondag vandaag?” Nee, het is zaterdag. “Oh, dan heb ik me in de dag vergist.” Prompt gaat ze gezellig bij de rest zitten. Hopelijk is haar zoon morgen echt jarig.
heej winnie wat kun jij leuk schrijven en zo herkenbaar. Leuk om te lezen! groetjes Francien
van francien v.d. Bolt uit op 09-02-2010